Blog

Theodore de Bry - Tupinamba Indianen in Brazilië

Het lijkt wel een nieuwe traditie te worden: Oud-Hollands vermaak dat door actiegroepen op de korrel wordt genomen vanwege het racistische karakter. Na Zwarte Piet en de Gouden Koets is nu Meneer de Kannibaal aan de beurt. De zwarte chefkok in de Efteling, die blanke-mensenstoofpot bereidt, is een racistische karikatuur. Voorstanders van Piet en Kannibaal zijn woedend, en vooral omdat het hier om kinderattracties gaat. Kinderen zijn onschuldig, zo wordt aangevoerd: zij zien die verbanden helemaal niet. Bovendien: zowel Zwarte Piet als Monsieur Cannibale zijn verzinsels, sprookjes: ze hebben sowieso niets met de werkelijkheid te maken.
Inderdaad is de kannibaal met zijn kookpot een verzinsel. Waar komt het vandaan en heeft het inderdaad niets met de werkelijkheid te maken?

De wilde mens
De wilde man is vanaf de Oudheid tot in onze eeuw een middel geweest voor zich beschaafd voelende mensen om de eigen cultuur te definiëren. De wilde is alles wat de geciviliseerde mens achter zich heeft gelaten en in zijn eigen natuur overwonnen heeft. Door zijn ongetemdheid heeft de wilde altijd gevoelens van angst en afkeer maar ook van fascinatie opgeroepen.
Er zijn vanaf het begin twee soorten wilden geweest in de hoofden van de mensen: de enge, slechte wilde, die gebruikt wordt als negatief spiegelbeeld van de eigen, hoge beschaving; en de nobele, goede wilde, die gebruikt wordt om kritiek te leveren op die beschaafde cultuur.
Deze ‘nobele wilde’ werd ook al in de Oudheid geboren: toen Griekenland was overwonnen door Rome. De Germanen in het woud, die de Romeinen wisten te weerstaan, werden door Tacitus tegenover de hoogbeschaafde en volgens hem daarom gedegenereerde Romeinen geplaatst en begiftigd met deugden als moed, kracht, zuiverheid en soberheid.
De opkomst van het Christendom voegde nieuwe betekenissen toe aan de mythe van de wilde man. Volgens de christelijke doctrine waren alle heidenen verdoemd en omdat de kerk al snel geïdentificeerd raakte met de macht van Rome, werd de ongelovige steeds meer met de wildernis verbonden. Zo werd de wilde tevens heiden. Nog weer later, tijdens de Renaissance, kwam daarbij nog het idee dat de wilde geen rede kende: hij volgde zijn impulsen, hij kende geen wet, geen discipline, geen deugd, praten kon hij nauwelijks. Ook was de wilde man seksueel bijzonder actief. De wilde vrouw was ofwel monsterachtig lelijk, ofwel mooi, verraderlijk en, natuurlijk, wellustig.

Indianen
Toen de Europeanen vanaf 1492 kennismaakten met een groot aantal ‘nieuwe’ volken, die zij Indianen noemden, waren zij – uiteraard – niet onbevooroordeeld. Zij namen hun eeuwenoude mythen en beelden over mensen zonder hoofd, tegenvoeters en andere monsters, én over ‘goede’ en ‘slechte’ wilden met zich mee en plaatsen de Indianen in dat kader. Er zijn veel beschrijvingen van ‘goede’ Indianen, die mooi en gezond zijn, en die leven in een lieflijke natuur. Maar de slechte wilde wordt ook vaak waargenomen. Hierbij moeten we wel bedenken dat empirisch onderzoek niet per sé de norm was: men fantaseerde er op los en doorspekte ooggetuigenverslagen met wilde verzinsels: goede Indianen zijn allemaal even mooi en sterk, nooit ziek, ze kunnen wel 200 jaar worden, de kinderen lopen al met 9 weken en het is altijd lente.
Een voorbeeld van een beschrijving van slechte Indianen in de woorden van een zeeman: Wat aengaet den aert ende de nature van dese inwoonders, daerinne zijn sij meer de onredelijcke beesten als menschen gelijck, want behalven dat sij menschenvleesch raeuw verslinden ende men niet een voncxken religie ende politie in haar bemerckt heeft, so zijn sij soo onbeschaemt ende beestachtigh… (Beschrijving van de inwoners van Terra del Fuego, uit het journaal van de Nassaussche Vloot 1647).

Menseneters
Vanaf Herodotus tot het eind van de 15e eeuw is de term anthropofaag in gebruik geweest voor de wilden die aan de rand van de westerse civilisatie leefden. Het idee dat anderen, ergens ver weg, mensen zouden eten, is dus zo oud als de westerse geschiedschrijving zelf – maar is niet aan Europeanen voorbehouden. Afrikanen in de koloniale tijd dachten dat blanken aan kannibalisme deden.
In de 15e eeuw werd een nieuw soort kannibaal ‘ontdekt’: de Cariben (het woord kannibaal is hier een verbastering van), een stam waar de Arowakken bang voor waren en waarschijnlijk om die reden door hen verdacht (of beschuldigd) van kannibalisme. De Spanjaarden gebruikten de beschuldiging van kannibalisme als rechtvaardiging voor het in slavernij drijven van de Indianen en het veroveren van hun land, omdat het gezien werd als bewijs voor hun niet-menselijke natuur - alleen mensen konden bezittingen hebben. Het gevolg was dat er steeds meer inheemsen verdacht werden van deze gruwelijke misdaad. Want we moeten niet denken dat er over slavernij niet werd nagedacht en dat men ‘zomaar’ mensen aan zich onderwierp: men had wel degelijk een rechtvaardiging nodig voor deze praktijken. Als men het erover eens was dat Indianen geen mensen waren, dan was slavernij gerechtvaardigd. Of er werkelijk mensen werden gegeten, is onduidelijk: er is geen bewijs voor. Columbus bijvoorbeeld meende dat hij menseneters kon herkennen als hij ze zag: op zijn derde reis had hij ‘nog een ander volk gevonden dat mensen eet zoals de afzichtelijkheid van hun voorkomen bewijst.’ Ontdekkers na hem zagen overal kannibalen. In regeringsrapporten staat al spoedig achter de vermelding Caribe ‘que comen carne humana’ (die mensenvlees eten); het was een officieel dogma geworden. Opvallend zijn de overeenkomsten tussen verschillende teksten die kannibalistische scènes beschrijven. Het politieke belang van de kannibalisme-beschuldiging is duidelijk.

De negerchef
De kannibalenmythe heeft stevig stand gehouden, waar verhalen over hondkoppigen, eenogigen, hoofdlozen en tegenvoeters allang zijn uitgestorven. Ze werd groot in de nieuwe wereld, als rechtvaardiging voor de verovering van Amerika. In de 19e eeuw leefde de mythe weer op, nu in Afrika. Weer werden nieuwe werelden ontdekt: de binnenlanden van Afrika – en weer zagen de ontdekkers overal rare en enge wezens. En ook hier wordt er veel gespeculeerd, gefantaseerd en van elkaar overgeschreven. Deels uit sensatiezucht, maar vooral ook vanwege de noodzakelijke vorming van een vijandbeeld ter rechtvaardiging van verovering. Daarnaast vonden veel missionarissen het nodig om zich tegen de nog altijd bestaande positieve beelden van de edele wilde te keren; de Afrikanen waren duivelsaanbidders en menseneters. Dit was een waarschuwing aan de mensen in het westen die het natuurlijke, onbedorven leven van de wilden romantiseerden.

Kannibalenhumor
Zoals de Indiaan in ons huidige bewustzijn een bijna goddelijke status van edel natuurmens heeft bereikt – zijn cultuur is nagenoeg uitgeroeid, het gevaar is geweken – zo keerde ook voor de zwarte kannibaal het tij, en wel rond 1900; de pacificatie en domesticatie van Afrika waren begonnen, de bedreiging was voorbij. Kannibalen werden niet meer voorgesteld als eng, maar als grappig. De mop is dat de kannibaal een wilde is, maar toch ook een gourmand: de neger is een soort half-verfijnde chefkok die eens heerlijk gaat kokkerellen met de blanke gevangene in zijn kookpot. Zo werd de kannibaal-gourmand de icoon van de gekoloniseerde wilde en de onderwerping van Afrika. De zwarte kok is verwesterd maar eigenlijk is er niets veranderd: hij is nog steeds een wilde (kannibaal) en de westerse levensstijl is nog steeds superieur.
Monsieur Cannibale zouden we kunnen rekenen tot ons erfgoed, en hij staat in een lange traditie van kannibalenhumor. In het bijbehorende liedje wordt ook nog gerept van de seksbelustheid van de wilde vrouwen, geheel in lijn met de traditie van de slechte wilde. Of je dit grappig vindt, ligt aan het standpunt dat je inneemt. Maar onschuldig kun je deze attractie nauwelijks noemen.